![]() |
![]() |
||||
|
Wie wil nog in de ambtenarij?
Verguizing en vergrijzing van het ambtenarenapparaat zet aan tot zelfreflectie Dat de lancering van het boekje Lui, links en lak aan de burger, waarin bekende vooroordelen over ambtenaren worden gestaafd, vorige week op veel belangstelling mocht rekenen kon niet missen. Maar gelijktijdig discussieerden betrokkenen en deskundigen achter de gesloten deuren van Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel over de vraag: wat bezielt de ambtenaar? Het ambtenarenapparaat van de Nederlandse overheid kampt met een aantal problemen die het werk er niet aantrekkelijker op maken. Zeker niet voor schaars geworden jong talent. En dus bezint het Rijk zich. Vijf onderwerpen voor zelfreflectie. Volgens Martijn van der Kooij, mede-auteur van het boekje Lui, links en lak aan de burger, bestaan de vooroordelen over ambtenaren niet voor niets. De journalist van het vakblad Openbaar Bestuur kwam ze in zijn werk zo vaak tegen dat hij de clichés wel eens aan de realiteit wilde toetsten. Zijn conclusie: maar liefst 80% van de vooroordelen is op feiten gebaseerd. De bekendste? Ambtenaren zijn lui. Uit onderzoek onder de ambtenaren zelf bleek 50% van de ondervraagden een collega te kennen die niets uitvoert, een zogenaamde ‘raamambtenaar’. Volgens Van der Kooij heeft dat niets te maken met karakter maar alles met de werkomstandigheden. ‘Veel jonge ambtenaren die ik ken beginnen heel gemotiveerd. Maar als je ontdekt dat je geen enkele vrijheid hebt om van de regels af te wijken wordt een baan als ambtenaar ook minder interessant.’ Joost Koomen (30), voorzitter van Futur, het netwerk van jonge ambtenaren, herkent het beeld. ‘Hoe langer je in het systeem meedraait, hoe lastiger het is om fris te blijven’, beaamt Koomen de strekking van het boek. Maar hij wordt ook een ‘beetje moe’ van alle kritiek. ‘Het doet geen recht aan de veranderingen die gaande zijn. Je kunt er van de buitenkant tegenaan blijven schoppen, maar dat is weinig constructief.’ Koomen blijft kritisch maar wijst graag op positieve ontwikkelingen als de dit jaar in het leven geroepen Jonge Ambtenaar van het Jaar-verkiezing of de Kafka-brigade, een club bestuurskundigen die met betrokken burgers en ambtenaren naar oplossingen voor bureaucratische problemen zoekt. Hij vindt dan ook dat ambtenaren wat beter moeten uitleggen waar ze wel mee bezig zijn. ‘De ambtenaar is van nature bescheiden. Dat hoort ook bij zijn dienstbare rol. Hij moet zich realiseren dat communicatie erbij hoort.’ Hoogleraar Staats- en Bestuursrecht Twan Tak is pessimistischer. Hij prijst de strijdlust van iemand als Koomen maar vreest dat de jonge ambtenaar vecht tegen de bierkaai. De wetenschapper, die kritische boeken schreef over bestuursprocessen die hun doelmatigheid voorbij streven, ziet de overdaad aan regelgeving als een ‘dieptepunt in onze constructie van de samenleving’. ‘Dertig jaar geleden stond de ambtenaar nog op een voetstuk. Waarom? Omdat hij veel meer vrijheid had om naar eigen inzicht oplossingen te kiezen.’ Volgens Tak worden de ontplooiingsmogelijkheden van burgers door allerlei overheidsmaatregelen de kop in gedrukt. ‘De ambtenaar is daar debet aan. Hij begint enthousiast maar zodra hij inziet dat hij nul eigen inbreng heeft zakt de arbeidsmoraal in.’ Hij raadt ambitieuze ambtenaren dan ook aan om voor het bedrijfsleven te kiezen. ‘Ik zie op dit moment voor de ambtenaar geen leefbare situatie.’ De hoogleraar denkt dat er meer aan de hand is dan een overdaad aan regelgeving. Er is een kloof ontstaan tussen beleidsmakers en uitvoerders. Volgens Tak kijkt de ‘Haagse denktank’ neer op ‘de domme uitvoerders in de regio’. Een onderschatting. ‘Het zijn de uitvoerders die in het veld staan en de contacten met de burger onderhouden’, zegt Tak. Zij zien waar het knelt en waarom, maar ze hebben geen enkele macht om iets zelf te bepalen.’ Het is een van de redenen waarom Gijs van Ewijk (32), coördinator Planning en Control van het stadsdeel Noord in de gemeente Amsterdam volgende week overstapt naar het bedrijfsleven. ‘Ik wil in een omgeving zijn waar ik sneller leer. Hier zie ik te veel regels en procedures. Als je ook maar iets wilt doen, moet je eerst zorgen dat een politicus daarachter staat.’ Ook Koos Roest, strategisch beleidsadviseur van het ministerie van Binnenlandse Zaken vermoedt een te grote kloof tussen beleid en uitvoering. Voor het debat over de arbeidsmotivatie van ambtenaren maakte hij een internationale vergelijking. ‘In Zweden hebben ze een heel kleine centrale rijksdienst van beleidsambtenaren. Dat werkt heel goed.’ Ook Tak wijst naar het buitenland. ‘Omdat de gewesten in Frankrijk en Duitsland zelfstandiger zijn, gaan ambtenaren er met meer plezier naar hun werk.’ In alle organisaties waar mensen werken is de vergrijzing een probleem. Maar bij de overheid is dat probleem extra groot. Terwijl de krapte op de arbeidsmarkt toeneemt, vragen politieke partijen om afslanking van het ambtenarenapparaat. Daardoor stokt de instroom jong talent nog eens extra. Een slechte ontwikkeling, vindt Joost Koomen. Hij hield een enquête onder leeftijdgenoten en constateerde dat een meerderheid van de jonge ambtenaren het eens is met afslanking maar dat de manier waarop wordt afgekeurd. Koomen ziet nu al dat veel van zijn jonge collega’s voor een baan in het bedrijfsleven kiezen. ‘Te veel’, zegt hij. Collega-bestuurslid Van Ewijk is er één van. ‘Als er bezuinigd wordt, stapt talent als eerste op. Dat vindt toch wel een baan’, zegt Van Ewijk. ‘Als ik in het bedrijfsleven had gewerkt, hadden ze er alles aan gedaan om mij te behouden. De overheid kan dat niet. Die zit vast aan procedures .’ Volgens Koos Roest is het probleem dat de oudere ambtenaren niet worden uitgekocht. ‘Dat wordt politiek geblokkeerd omdat het te duur is. Maar het is een investering in de toekomst.’ Bij Futur pleiten ze voor een prestatiebeloning. De jongeren lijken zich in toenemende mate te ergeren aan slecht presterende maar beter betaalde collega’s. ‘Als iemand niet presteert, moet je ervan af kunnen’, vindt Gijs van Ewijk. Maar voordat de overheid een ambtenaar kan ontslaan moet er eerst een onderzoek plaatsvinden of de werknemer op een andere plek binnen de overheid aan de slag kan. Bovendien kunnen ambtenaren nog twee keer in beroep tegen een besluit tot ontslag. Het leidt tot vertraging in de ontslagprocedure. ‘Een chef heeft daar vaak helemaal geen zin in. Die denkt: ‘‘Tegen de tijd dat ik hem eruit heb gewerkt, ben ik zelf al weg’’, zegt Van Ewijk. Toch is het van belang om voorzichtig te zijn met prestatiebeloning, vindt strategisch beleidsadviseur Kees Roest. ‘Een belangrijke motivatie om ambtenaar te worden is de veiligheid. Als je een prestatieloon invoert, ontneem je mensen die prikkel.’ Deze ‘luie ambtenaren’ heb je volgens onderzoekers aan de Erasmusuniversiteit zelfs nodig om de kosten van de hardwerkende idealisten, die uit engagement bij de overheid werken, te kunnen drukken. Dat komt omdat er niet genoeg idealisten zijn. Als de overheid ter aanvulling voor kwalitatief hoogwaardig personeel kiest zonder idealisme gaan de arbeidskosten van beide groepen omhoog. De presterende idealist zal niet accepteren dat hij minder verdient dat een professional van buiten. Kiest de overheid voor minder kwaliteit, dan blijven de arbeidskosten beperkt. Efficiënt personeelsbeleid dus. En inderdaad blijft Joost Koomen ondanks alle kritiek bij de overheid werken. ‘Je moet erg gemotiveerd zijn om voor de publieke zaak te strijden. Voor mij is het de keus tussen een nieuwe frisdrank in de markt zetten of je bezighouden met de fileproblematiek.’ Ambtenaren van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan het einde van een werkdag.
|
|
||||